Ger Groot – Existentialisme is humanisme

Impressie van de bijeenkomst van het Filosofisch Café Haarlem op 18 maart 2026

Op deze avond hield Ger Groot voor 80 bezoekers een inleiding over zijn hertaling van het boek van Jean-Paul Sartre Existentialisme is humanisme.
Hanno de Groot was de moderator van deze avond.

Ger Groot (1954) is filosoof en schrijver. Groot was bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en doceerde wijsgerige antropologie en cultuurfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij publiceert regelmatig in Trouw, NRC en De Groene Amsterdammer, vertaalde werken van Sartre, Derrida en Husserl, en schreef verschillende boeken, waaronder De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is (2017).

De eerste dia van de presentatie is de omslag van het boek Existentialisme is humanisme. Ger geeft aan dat hij is benaderd door de uitgever die vond dat er sinds de laatste vertaling zoveel is veranderd in de maatschappij dat je kan spreken van een nieuwe tijd. En dat deze nieuwe tijd behoefte heeft aan een nieuwe, actuele vertaling van de oorspronkelijke tekst van Sartre, die nu zo’n 80 jaar oud is.

Deze tekst is de voordracht die Sartre uit zijn hoofd heeft gehouden in Parijs in 1945. Voor velen is deze kerntekst van zo’n 40 pagina’s een handzame en toegankelijke samenvatting van de filosofie die Sartre in 1943 heeft gepubliceerd in het vuistdikke 722 bladzijden tellende hoofdwerk L’être et le néant (Het zijn en het niet).
Die avond, die wel één van de meest bewogen avonden uit de geschiedenis van de filosofie genoemd kan worden, was bijna niet doorgegaan. Voor de ingang van het hotel Salle des Centraux zag Sartre een menigte die zich met gedrang en geduw een plek naar binnen probeerde te vechten. De belangstelling was veel groter dan het maximum van 200 personen dat de zaal kon bergen. Sartre dacht even aan een communistisch opstandje en wilde weer terug naar huis gaan.
Het is ook wel bijzonder dat Sartre was uitgenodigd om een anti-bourgeoisie verhaal te houden in een klein zaaltje van een zakensociëteit in een chic hotel met een klassiek-Frans interieur in een van de betere buurten van Parijs, tussen de Seine en Champs Élysées.

Ook bijzonder dat opeens, vrijwel uit het niets, het existentialisme zo populair was in Parijs. Parijs was in WOII al in 1943 bevrijd. De oorlog had behalve fysieke puinhopen ook het moreel en de sociale orde een knauw gegeven. De vanzelfsprekendheden waarnaar de mensen leefden en die ze als eeuwig beschouwden waren weg. Er was een grote verwarring hoe het leven in te richten, naar welke waarden, wat nodig is en wat nu te doen. Een periode van kaalslag, depressie en verlorenheid in de samenleving.

En toen kwam Sartre in 1943 plots met Het zijn en het niet, een nieuwe filosofie geschreven tijdens de vervulling van zijn reservistenfunctie, het oplaten van weerballonnen, tijdens WOII. De filosofie was gericht op de vraag: hoe moeten wij leven. Een existentialistisch-humanistische filosofie met mensen die betrokken zijn op de wereld en vóór alles op de mensen om hen heen. Geëngageerde mensen die zich moeten laten leiden door de belangrijkste waarde: de vrijheid.

Om de desolate sfeer weer te geven toont Ger Groot een fragment uit Ascenseur pour l’échafaud (Lift naar het schavot), een Franse neo-noir film uit 1958. In deze thriller van regisseur Louis Malle zwerft Jeanne Moreau door Parijs op zoek naar haar partner in crime Julien. Miles Davis heeft tijdens het kijken naar de film op improviserende wijze de muziek opgenomen. De jazzmuziek in het Parijs van na WOII staat voor de jeugd voor de toekomst. De popmuziek was van latere datum.

Met een foto van een jazz-kelder in de bij artiesten, filosofen en schrijvers populaire wijk Saint-Germain des Prés geeft Ger Groot een tijdsbeeld van de antiburgerlijke jeugd die op zoek was naar een nieuwe wereld. Zij noemden zichzelf de “ratten” omdat ze bijeenkwamen in de kelders van de stad. De vrouwen droegen vaak een kort kapsel, een “rattenkopje” (coupe rat) als uiting van de existentialistische en de bohemienstijl in die periode. Een belangrijke strijdkreet was: prenez vos désirs, pour des réalités (Verander je verlangens in realiteit).

Dan laat Ger een stukje van de film Modern Times uit 1936 van Charlie Chaplin zien. Sartre was erg onder de indruk van deze dystopische film, waar de voortschrijdende industrialisatie zorgt voor verlies aan individualiteit door de anonimiteit en mechanische monotonie. De werknemers worden uitgebeeld als afgestompte wezens. Sartre heeft het tijdschrift dat hij mede in 1945 oprichtte en dat uitgroeide tot een invloedrijk literair en politiek tijdschrift naar deze film genoemd: Les Temps Modernes. Het tijdschrift was een spreekbuis voor existentialisme en geëngageerde literatuur, gericht op linkse intellectuelen.

Ger toont het voorblad van L’être et le Néant (Het zijn en het niet) uit 1943, een alles omvattende filosofie, hier valt niets buiten. Het is overduidelijk geïnspireerd door de fenomenologie van Husserl en Heidegger (Zijn en tijd), van het in de wereld zijn, nadenken wat dat betekent voor ons bestaan en vandaaruit je plan trekken, je leven invulling geven. Dit in tegenstelling tot wetenschappers die als subject de wereld als object bestuderen en verklaren.
Vanuit die werkelijkheid ziet Sartre dingen:

  • Dingen die zijn wat ze zijn, een koffiebeker, een boom
  • Mensen die naar zichzelf kijken maar niet samenvallen met wat ze zien

Ik als Nederlander ben niet veroordeeld tot mijn Nederlanderschap, ik verhoud me daartoe. Wij zijn niet wat we zijn, wij hebben vrijheid. We zijn wat we niet zijn! Wij kunnen onszelf vooruit projecteren. Wil een mens mens zijn, dan moet hij kiezen. Een mens is vrij in tegenstelling tot dingen, die zijn wat ze zijn. Een mens is geroepen om vrij te zijn om mens te zijn.

Voor Sartre is die vrijheid een fundamenteel kenmerk van de mens en vandaaruit komt ook zijn moraal dat je als mens je nooit mag gedragen als ding. Je mag je niet verschuilen achter de opvoeding, de verwachtingen of Befehlen van anderen, je bent geen biljartbal.
Die vrijheid klinkt in eerste instantie goed, maar is bij Sartre ook gebonden aan de absolute verantwoordelijkheid voor het nemen van keuzes in je leven. Je mag je nooit excuseren. Als je dat wel doet dan ben je een hufter, dan ben je ‘te kwader trouw’, zoals de mensen uit de bourgeoisie met hun uitgetekende levens waarin dit is samengebald.

De ethiek van Sartre is: je moet je vrijheid altijd nastreven en je verantwoordelijkheid altijd nemen.
Sartre heeft Het zijn en het niet geschreven toen hij nog niet politiek geëngageerd was. Pas tijdens zijn krijgsgevangenschap kwam hij in aanraking met communisten. Toen kwam ook de vraag op: Hoe kunnen wij de maatschappij opbouwen. Want zijn boek gaat uit van één persoon, één subject.

Ger laat een fragment zien van een toneelstuk, een eenakter met de titel Huis clos (Met gesloten deuren), waarin Sartre heeft onderzocht wat De Ander kan betekenen. Het gaat over drie personen die zich na hun dood in dezelfde kamer bevinden. Om hun situatie te verbeteren proberen ze telkens met één van de twee een alliantie te sluiten tegen de derde. En deze alliantie mislukt telkens door De Ander. Deze Ander objectiveert en onderwerpt daarmee de alliantie en toont de triestheid aan van het bestaan en de afhankelijkheid van de Ander om te bestaan. Dan volgt de beroemde uitspraak: de hel dat zijn de anderen.

Dit komt ook terug in het beroemde gedachtenexperiment van De Gluurder van Sartre:

  • De Situatie (De Gluurder): Een man staat in een donkere gang en gluurt door een sleutelgat. Hij is volledig gefocust op wat hij ziet. Op dat moment is hij subject: hij is bewustzijn, hij is vrij en hij ervaart de wereld puur vanuit zijn eigen perspectief. Hij denkt niet na over zichzelf, hij is gewoon de actie van het gluren.
  • De Inbreuk (De Blik): Plotseling hoort de gluurder voetstappen in de gang. Hij beseft dat iemand hem ziet gluren. Op dat moment verandert alles. De gluurder wordt plotseling een object voor de ander.
  • Het Gevoel (Schaamte): De gluurder ervaart nu schaamte. Deze schaamte bewijst dat hij zichzelf ziet zoals de ander hem ziet: als een ‘gluurder’. Hij is niet langer alleen maar bewustzijn, maar hij is geworden wat de ander in hem ziet: een object, een ‘hoorndrager’.

Kernboodschap van Sartre is: de ander is de bemiddelaar tussen mij en mijzelf. Door de blik van de ander word ik gedwongen mezelf te beoordelen en word ik me bewust van mijn eigen ‘zijn’ als object in de wereld, in plaats van alleen als subject.
Voor Sartre wordt de relatie met de ander altijd gekenmerkt door conflict, niet een vrolijke toekomst.

Sartre wilde de lezing ook gebruiken om de verwijten die hij en zijn existentialisme kregen te weerleggen. De christenen vonden dat Sartre te weinig oog had voor het mooie in het bestaan van de burger. Voor de christenen werd er te veel kwade trouw aangetoond in boeken en toneelstukken. Hier maakte de atheïst Sartre zich wat gemakkelijk vanaf.

Moeilijker was het met de kritiek van de communisten, die Sartre verweten geen antwoord te hebben over de gemeenschappelijkheid; hoe samen naar de toekomst. Het was voor Sartre van groot belang om hier met een overtuigend antwoord te komen, want na WOII vormden de communisten een belangrijke politieke macht.
De communisten verweten hem dat hij met zijn individualisme zelf een bourgeois was geworden en dat zijn Het zijn en het niet daardoor droop van het pessimisme. In zijn rede geeft Sartre een antwoord à la Kant, hij universaliseert de vrijheid door te zeggen dat datgene wat jij voor jezelf kiest, je ook voor alle andere mensen moet kiezen. “Ik kan mijn eigen vrijheid slechts nastreven als ik dat ook voor die van anderen doe. Wie kiest, kiest voor iedereen.” En door te zeggen dat de keuze alleen in engagement met de wereld kan worden genomen.

Na de lezing ontspon zich nog een discussie met de marxist Pierre Naville, die Sartre vanuit communistisch standpunt uitvoerig de oren waste.
Kortom deze weerlegging overtuigde de communisten en ook Heidegger niet. Later in 1960 probeert Sartre met de Kritiek van de dialectische rede nogmaals om zijn vroege existentialisme te verzoenen met het marxisme. Hij analyseert hoe individuele vrijheid (praktische rede) wordt beperkt door sociale structuren en historische noodzaak (dialectische rede), waarbij hij de menselijke actie centraal stelt.

Met de uitspraak dat in de filosofie één antwoord drie vragen oproept sloot Ger zijn inleiding af. Hij kreeg hiervoor groot applaus.


Na de pauze worden de volgende vragen gesteld:

Dirk de Schutter heeft een boek over Heidegger geschreven waarin Heidegger waarschuwt voor de gevaarlijke trend in het humanisme om de mens te vergoddelijken.
Ger Groot: Ja de Fransman Jean Beaufret had zowel Zijn en tijd uit 1927 van Heidegger gelezen als Existentialisme is een humanisme van Sartre en bespeurde enige spanning, die hij aan Heidegger heeft voorgelegd in de vorm van een aantal vragen. Daar heeft Heidegger op geantwoord in zijn Brief over het ‘humanisme’ van 1946.

Sartre had afstand genomen van het rationele humanisme van Kant en stelt de existentie van de mens centraal. Een humanisme dat vanuit de keuzevrijheid, de authenticiteit zelf vorm gaat geven aan de zingeving, aan de essentie in een absurde wereld. Heidegger vindt dat Sartre de mens nog steeds te veel als een ‘subject’ ziet dat de wereld beheerst, net als in de traditie van Kant en Descartes. De mens neemt dan de plaats van God in. Heidegger, zeker na zijn “Kehre” wil een “humanisme” dat de mens terugbrengt naar zijn ‘zijn’.
Nietzsche had al gewaarschuwd voor het probleem van het invullen van de vrijgekomen plek van God. Want de mens is niet alwetend, almachtig en alomtegenwoordig. De opgave is om de plaats van God leeg te laten. Sartre heeft deze waarschuwing niet ter harte genomen. Heidegger die een generatie eerder actief was dan Sartre is in zekere zin moderner dan Sartre. Sartre heeft nooit geantwoord op de brief van Heidegger.

De oorspronkelijke titel was Existentialisme is een humanisme. Waarom heeft u ‘een’ weggelaten uit de titel?
Ger Groot: Dat is gebeurd in een discussie met de uitgever. Die vond de titel zonder ‘een’ meer ingeburgerd.

Hoe anders gaat Sartre om met God dan Kant, tegen wie hij zich afzet?
Ger Groot: Kant maakte een einde aan de klassieke, rationele bewijzen voor het bestaan van God. Hij stelde dat God niet kenbaar is door theoretische rede (wetenschap/logica). Volgens Kant vereist de moraal dat er een ‘hoogste goed’ bestaat, waarin deugdzaamheid en geluk samenkomen. Omdat dit samengaan in de aardse werkelijkheid niet altijd gebeurt, moet er volgens Kant een God bestaan die zorgt voor een ultieme morele rechtvaardigheid. De God van Kant is dus een postulaat.
Sartre redeneert dat als God bestaat en de mens heeft ontworpen (zoals de mens een papieropener ontwerpt), de mens niet meer vrij is. Een mens met een voorbestemd doel (essentie) is geen vrij wezen meer, maar een ‘ding’. Bij Sartre is de mens pas mogelijk als God niet bestaat, omdat de mens dan pas de volledige auteur van zijn eigen wezen is.

Is bij Sartre de relatie tussen mensen altijd gedoemd om te mislukken?
Ger Groot: Sartre gaat uit van het altijd objectiveren van de ander. En bouwt voort op Hegels beroemde heer-knecht-dialectiek. Hegel stelt dat zelfbewustzijn slechts kan bestaan door erkenning van een ander zelfbewustzijn. Dit leidt tot een noodzakelijk conflict: twee subjecten willen erkenning, wat resulteert in een strijd. Deze relatie heer-knecht kan trouwens ook omslaan.
Sartre neemt in Huis Clos, ‘De hel, dat zijn de anderen’ deze conflictueuze relatie over, de ander objectiveert mij en ‘steelt’ mijn wereld.

Bij Sartre heeft de mens geen wezen, hij kan voortdurend néé zeggen en dan zijn keuze maken. Ontkent Sartre ook het instinctief handelen van de menselijke cultuur?
Ger Groot: Sartre is in zijn kern een rationalist à la Descartes en neemt zijn cogito (Ik denk) helemaal over. Later komt hier de invloed van de fenomenologie bij en zijn afkeer van het onbewuste van Freud. Hij ontwerpt dan zijn eigen existentiële psychoanalyse met het begrip van de oorspronkelijke keuze. Op basis van deze existentiële psychoanalyse heeft Sartre biografieën geschreven van ‘de dichter van het kwaad’ Charles Baudelaire, van ‘de dief en homoseksueel’ Jean Genet en ‘de idioot’ Gustave Flaubert. Bij Sartre geven de instincten een aandrang tot handelen en dan pas maakt het individu de keuze om het instinct wel of niet te volgen.

Sartre heeft de ‘geworpenheid in de wereld’ van Heidegger overgenomen. Hoe gaat Sartre om met de gelatenheid van Heidegger?
Ger Groot: Bij Sartre volgt uit de geworpenheid de grote last van de verantwoordelijkheid voor alle keuzes die je maakt. Zelfs als je wordt gefolterd dan beslis je nog zelf wat het moment is waarop je breekt. De gelatenheid bij Heidegger is geïnspireerd op het mystieke werk van Meester Eckhart. Dit zou Sartre kwalificeren als te kwader trouw. Ook de veel aangehaalde quote uit het werk van Simone de Beauvoir: ‘je wordt tot vrouw gemaakt’, is voor Sartre kwade trouw. Dit gaf geen spanning in hun relatie omdat de juiste vertaling is: ‘je wordt vrouw’.

Door dit hele verhaal over Sartre moet ik denken aan de uitspraak van Shakespeare ‘Wij weten wat we zijn, maar niet wat we kunnen worden.’
Ger Groot: Ja die uitspraak van William Shakespeare komt uit Hamlet. De uitspraak reflecteert de onzekerheid over de toekomst en het niet hebben van controle of inzicht of je A of B moet gaan doen. Voor Sartre is dit geen probleem maar juist de essentie van de mens, dat je in absolute vrijheid kan kiezen wat je gaat doen.

Simone de Beauvoir heeft in haar boek Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid aandacht gevraagd voor de invloed die je ondervindt aan het begin van je leven door je opvoeding, je vrouw-zijn en de keuzen die je maakt. Zij schetst het spanningsveld tussen nature en nurture en de keuzes die je kan maken; zij is hierin milder en breder dan Sartre.
Ger Groot: Simone de Beauvoir valt in haar werk vaak terug of verwijst naar Sartre. Zij komt waarschijnlijk milder over, omdat ze meer oog heeft voor de verschillende situaties waarin de keuzes gemaakt moeten worden, de betekenissen gegeven en de afhankelijkheid hierbij van de persoonlijke vrijheid van de ander.

In De tweede sekse beschrijft Simone de Beauvoir dat je vrouw wordt door de normen te internaliseren die er bestaan. Dat je als meisje door alle poppen, jurkjes en regels die er zijn, je minder makkelijk kan transcenderen tot iets anders dan jongens, voor wie dit niet geldt.
Ger Groot: Ja de kern van dit betoog is dat de samenleving het meisje van kinds af aan vormt tot het ‘Object’ (de Ander), terwijl de jongen wordt aangemoedigd ‘Subject’ te zijn. Maar als het meisje de keuze maakt om hierin mee te gaan, dan zou Sartre dit kwalificeren als te kwader trouw. Net als de notariszoon die in lijn met zijn vader en zijn grootvader ook notaris wordt.

Jürgen Habermas is net overleden en deze Duitse filosoof heeft altijd gekozen voor de democratie, terwijl Sartre met zijn filosofische vrijheid heeft gekozen voor het communisme.
Ger Groot: Ja eens, ik vind ook dat Sartre hier een verkeerde afslag heeft genomen. Sartre was eerst apolitiek, kwam tijdens de oorlog in aanraking met het communisme, waar hij door gegrepen werd. En terwijl zijn vrienden zich alweer afkeerden van het communisme bleef Sartre een derde weg zoeken en raakte hij steeds meer overtuigd dat verandering en vrijheid alleen langs de weg van de revolutie, zoals in Cuba en China, bereikt konden worden.

Met dit antwoord werd de avond afgesloten en bedankte Hanno de inleider Ger Groot voor de sfeervolle en boeiende lezing. Er klonk een langdurig applaus.

Gerrit van Elburg