Impressie van de bijeenkomst van het Filosofisch Café Haarlem op 21 januari 2026
Op deze avond hield Coen Simon voor 95 bezoekers een inleiding over zijn boek Ik denk dat ik ben.
“Cogito, ergo sum” (“Ik denk, dus ik ben”) is de beroemde fundamentele stelling van de Franse filosoof René Descartes (1596–1650), die vaak wordt geassocieerd met zijn “retraite” – een periode van intense, isolerende reflectie. Tijdens deze meditatie bij het haardvuur probeerde Descartes alles te betwijfelen, om uiteindelijk tot een onbetwijfelbare waarheid te komen.
Descartes wordt algemeen beschouwd als de vader van de moderne filosofie.
Coen Simon (1972) is schrijver, filosoof en hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Zijn essays in NRC Handelsblad, nrc.next en Trouw zijn spraakmakend in het publieke debat. Van zijn hand verschenen onder meer Het huishouden van onze verlangens, Wachten op geluk en Filosoferen is makkelijker als je denkt. In 2012 won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek van dat jaar met de uitgave: En toen wisten we alles. coensimon.nl
Coen start zijn inleiding met een jeugdherinnering: hij droomde er al vroeg over filosoof te zijn, kan dat? Ja, dat kan. Een vroege begeerte naar een begeerte.
Hij vond zijn studie niet altijd even interessant maar uiteindelijk toch wel heel boeiend. Hij refereert aan de Tractatus van Wittgenstein (mysterieus). En komt dan al snel op Descartes, met name op zijn vaststelling dat een bedrieger die opzettelijk misleidt, hem niet uitmaakt, zolang hij maar denkt: ’Ik ben er zelf bij, ook als ik bedrogen word’.
De studie filosofie ging veel dieper dan hij dacht. Om dit aan te kunnen moet je wel over een redelijk verstand beschikken en kunnen denken dat je het ook zelf had kunnen bedenken. Hij komt vervolgens op de meditaties van Descartes: het ‘ik’ moet hebben bestaan, ik weet alleen maar ‘ik’, ik weet niet dat de ander bestaat. Twijfel is niet meer weg te denken. Is de waarheid wel een doel?
Descartes heeft ook nog verhandelingen geschreven over muziek en koortsdromen. Hij nam dienst in het leger en volgde een studie aan de universiteit van Leiden. Eind 1649 ging Descartes op uitnodiging van koningin Christina van Zweden naar het Zweedse hof. Daar is hij begin 1650 overleden aan een longontsteking.
Zijn ‘Cogito’ uit 1637 wordt wel als de beroemdste ontdekking van de filosofie beschouwd. Hij introduceert daarbij het begrip ‘claire et distincte’: pas als het voldoende helder is mag je iets als zekerheid aannemen.
Hoewel zijn meditaties niet onomstreden zijn (o.a. door Thomas Hobbes (1588 – 1679)), heeft hij toch veel invloed gehad op de metafysica, door onder meer zijn berekeningen van het licht en zijn beschrijving van de hartstocht. Ook heeft hij bezieling gegeven aan het kennende zelf.
Descartes worstelde wel met het gevoel: elk gevoel moet een oorzaak hebben en wat betekent de rede als we ons toch als een gevoelsmens beschouwen. Hij vraagt zich af wat we eigenlijk bedoelen met ‘ik denk’ en hoe het komt dat hij enerzijds zijn best doet om te denken en tegelijkertijd lijkt vast te houden aan wat hij altijd al dacht. Hij ziet dat de mens zijn best doet maar de geestelijke kracht mist en leunt op de macht der gewoonte: domme luiheid en onredelijkheid liggen op de loer. De macht der gewoonte is een zeer sterke kracht. Volgens Coen betekent dit ook dat de psychologie veel te lang een ondergeschikte rol in de filosofie heeft gespeeld.
De meditaties hebben het ‘ik’ opgeleverd en, volgens Descartes, het bestaan van God. ‘Ik denk dat’ is een particuliere mening, de ander hoeft niet hetzelfde te denken. We zijn Descartes gaan identificeren met zekerheid, maar er zit veel meer in. Het ‘ik’ heeft een binnenwereld gekregen. Descartes maakt een onderscheid tussen filosofisch denken en wetenschappelijk denken. Hij wordt er soms van beschuldigd dat hij dieren als dingen ziet. Hij heeft een taal ontwikkeld voor filosofie en wetenschap. En een taal om ook over het mentale te kunnen spreken.
Hij leefde overigens in dezelfde tijd als Galileo Galilei (1564 – 1642), de invloedrijke Italiaanse natuurkundige en astronoom, en werd soms ook als ketter beschouwd.
Na de pauze worden de volgende vragen gesteld:
Wat heeft het denken over hartstocht en begeerte met het denken van Coen gedaan, in termen van resultaat?
Coen benadrukt in zijn antwoord het belang van de twijfel en stelt dat het bij begeerte ook altijd gaat om resultaat. Er zit ook veel psychologie in de meditaties en definiëren is niet het belangrijkste onderdeel van de filosofie.
Wat is het fundamentele verschil tussen Descartes en Anselmus over het belang van twijfel, omdat ook Descartes gelooft in het bestaan van God?
Coen stelt dat er op dit punt volgens hem niet veel verschil is tussen Descartes en Anselmus: het gaat om de werking van de binnenwereld en het onderscheid met het wetenschappelijke denken. Dat komt ook terug in het onderscheid materieel/immaterieel: wat kan ik weten en wat kan ik niet weten. Filosofie is de taal van de geest.
Anselmus van Canterbury (1033–1109) was een invloedrijke middeleeuwse benedictijner monnik, filosoof en theoloog, vaak beschouwd als de grondlegger van de scholastiek. Als aartsbisschop van Canterbury werd hij beroemd om zijn “ontologisch godsbewijs”.
Wat is de luiheid van de geest die ertoe leidt dat er niets verandert en dat we niet vooruitkomen?
Coen ziet wel vooruitgang en wijst erop dat er zelfs in de oorlogssituatie in Oekraïne behoefte is aan filosofie. Met als basis het denken van Kant is heden ten dage het uitgangspunt dat iedereen een eigen mening heeft. Dit geeft vrijheid en het geeft verantwoordelijkheid. Kant maakt daarbij onderscheid tussen een mening hebben of een standpunt of perspectief. Durf te denken, durf te proeven. Hannah Arendt greep ook terug op het schoonheidsoordeel van Kant: je moet iets mooi vinden om het object zelf, niet om de context. Dan pas is het belangeloos. En als je er geen belang bij hebt, mag je ervan uit gaan dat het ook voor een ander geldt.
Dit kan/moet je ook toepassen in de politiek: wat is precies de reden dat je ergens iets van vindt? Welke factoren spelen daar allemaal in mee? Vertel waarom je het vindt, laat de ander meekijken. Dit gebeurt nergens anders dan in de filosofie, want er is geen belang.
Waarom wilde Coen een hervertelling van Descartes maken?
Coen werd gegrepen door de meditaties en wilde deze moeilijke taal voor iedereen beschikbaar maken en bovendien enige weggezakte ideeën en losse eindjes oppoetsen.
Tenslotte wordt nogmaals gevraagd waarom hij vindt dat het denken vooruitgang boekt, vooral als je kijkt naar bijvoorbeeld Trump?
Coen beschouwt zichzelf als een optimist. Kijk bijvoorbeeld naar vanavond: wij kunnen vrijelijk discussiëren. Verder pleitte Hannah Arendt al voor burgerlijke ongehoorzaamheid. En vele wetten zijn gemaakt om de noodzakelijke ordening in de maatschappij te brengen en om de toekomst te ordenen. Maar de veranderingen gaan zo snel dat de wetten de nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen niet kunnen bijhouden. Wetten zijn conservatief, dat is inherent aan wetgeving. Burgerlijke ongehoorzaamheid zag Arendt als verfijning van het wetgevingsproces.
Tenslotte wordt Coen bedankt voor zijn intrigerende lezing en beloond met een gul applaus.
Paul van Dijk