Daan Heerma van Voss – De bange mens

Impressie van de bijeenkomst van het Filosofisch Café Haarlem op 28 september 2022

Op deze avond hield Daan Heerma van Voss voor 90 aanwezigen een inleiding over zijn boek De bange mens. Mijn zoektocht naar de bron van onze angsten.

Daan Heerma van Voss (1986) is romanschrijver en historicus. Voor zijn journalistieke werk won hij de Tegel. Zijn literaire werk werd voor een aantal prijzen genomineerd en vertaald in het Duits, Zweeds, Spaans en Chinees. In 2020 verscheen van zijn hand Coronakronieken. Verder heeft hij geschreven voor verscheidene nationale en internationale kranten en tijdschriften, zoals NRC, Humo, De Morgen, Vrij Nederland en de Volkskrant. www.daanheermavanvoss.nl

Onder een luid en enthousiast welkomstapplaus begon Daan zijn inleiding. Hij gaf aan dat het alweer anderhalf jaar geleden was sinds zijn boek is uitgekomen, maar dat door de begeleiding van de vertalingen, nu in het Pools, de inhoud voor hem toch actueel blijft. Hij vertelde dat zijn inleiding bestaat uit het voorlezen van stukjes en het hierop geven van een toelichting.
Daan begon met de statement dat hij heel kritisch staat tegenover het label van stoornissen. Met het schrijven van dit boek en de onderzoek naar de geschiedenis van labels is hij tot de conclusie gekomen dat dit vaak heel discutabel is. Zijn angst heeft hij heel lang beschouwd als iets persoonlijks, iets wat niet interessant is voor anderen. Vanuit de media kreeg hij het gevoel dat het aantal berichten over angst toegenomen is, maar hij hoorde ook dat angst van ‘alle tijden’ is.

Pas na de indringende oproep van zijn vriendin ‘Je moet er iets mee doen anders wordt het niks’, begreep hij dat dit het signaal was waarop hij wachtte. Een aanleiding om zijn angstcycli te doorbreken. Niet meer van ellende naar top (kop in het zand) naar ellende (depressie) et cetera. Dit is het boek dat Daan moest schrijven. Een zoektocht die zo’n drie jaar heeft geduurd.

De oudste definitie van angst kwam Daan tegen bij Aristoteles: “Angst is een (essentiële) onprettige fysieke ervaring die een reactie is op dreigend gevaar”. En eigenlijk heeft Daan deze angst al zijn hele leven. Op de basisschool had hij dit onbestemde gevoel, op de middelbare school wist hij dat dit angst was en tijdens zijn studie ontdekte hij dat het Engels hier twee woorden voor heeft: Fear en Anxiety. In de periode hierna probeerde hij ook na te denken over de vragen

  1. Wat voel ik?
  2. Voelt elk mens dit?
  3. Voelt een dier dit?

Het boek is te zien als een reis die na de breuk met zijn vriendin begon in de blokhut in Frankrijk van een vriend in de toepasselijke streek Vallée de Misère. Daan leest nu enkele pagina’s voor.

Er leeft iets in mij wat me niet met rust laat, realiseer ik me eens te meer, wanneer ik vanuit mijn blokhut uitkijk op vredige, monochrome Franse weilanden en geen moment met die kalmte kan verzoenen. Hier in de Vallée de Misère, op bezoek bij mijn vriend, blijven doemscenario’s aan me voorbijtrekken. Ik pieker veel, slaap slecht. Rillerig en verward houd ik me vast aan de enige regel die ik heb opgesteld: haar niet bellen. Want wat ik voel heeft niet zuiver met haar te maken; het is veel ouder. Zolang als ik me kan herinneren, ligt er een diffuse, algemene angstigheid diep in mij verankerd. Ik ga er mee slapen en sta ermee op. Ik ben zowel een van de velen als een eigenaardig geval, heb ik geleerd.
Onlangs heb ik tweemaal mijn cortisolspiegel laten meten, om erachter te komen hoeveel van dat stresshormoon er in mijn hersenen rondwaarde. De betrouwbaarste manier om dit te meten is door middel van haartests: dan sta je een plukje van je haar af dat door een medisch team wordt onderzocht, in mijn geval het Amsterdams Medisch Centrum in samenwerking met het Erasmus Medisch Centrum. De gemiddelde angstdichtheid van de Nederlander is 2,7 picogram cortisol per milligram haar. Mensen met langdurige problemen komen hooguit rond de 15 picogram uit. Mijn tests lieten een ander profiel zien.
De eerste, die mijn cortisolspiegel over drie maanden mat, kwam uit op 34,4, ongeveer dertien keer het gemiddelde. Toen waren de onderzoekers al hogelijk verbaasd. De tweede test liet een maandverloop zien: deze maand was het 74 picogram, die daarvoor 87, die daarvoor 132, en die daar weer voor hoger dan 200 picogram, vierenzeventig keer het landelijk gemiddelde. Nee, het lag niet aan de test. Uit nieuwsgierigheid had de hoofdonderzoeker ook een eigen haarmonster meegestuurd naar het lab. Haar gemiddelde: 0,8. De onderzoekers wisten niet wat te zeggen, zo’n uitslag hadden ze nog nooit gezien. Ze opperden of ik misschien een zeldzame aandoening had, een tumor die maakt dat mijn klieren teveel cortisol afscheiden. Die mogelijkheid wees ik van de hand; ik had geen tumor. Dat accepteerden ze, aangezien ik geen enkel ander tumor gerelateerd symptoom vertoonde, en ik de metingen zelf uit nieuwgierigheid had geïnitieerd. Daarna probeerden ze me gerust te stellen: deze uitslag was zo bizar dat ik hem maar moest proberen te vergeten, er was vast iets verkeerd gegaan. Toen wilden ze op verder onderzoek uit. Het hoefde niet van mij. ‘Vierenzeventig keer? ‘vroeg ik nog maar eens. ‘Vierenzeventig keer’, antwoordden ze.
Hoewel de uitslag bizar was, veranderde er voor mij weinig. Die angst is er altijd geweest. Mijn lichaam heeft zich erop ingesteld. Het kan lange tijd goed met me gaan. Dan maak ik reizen. Dan ben ik een goede vriend voor mijn vrienden en een goede geliefde voor mijn geliefde. Mij is niks aan te zien. Maar soms verandert die angstigheid, door een of ander ’bedreigende’ gebeurtenis van buitenaf, ineens van intensiteit, ze wordt scherper en concreter, en spitst zich toe op één gedachte, een doemscenario dat alle ruimte en zuurstof opeist, ik passeer een kantelpunt, een kritische grens. Dan zit ik er helemaal in.
Als ik erin zit, is alles wat ik zie en hoor een bron van paniek. Straten met hoge bomen die het licht wegnemen, ga ik liever niet in. Niemand om me heen begrijpt wat eraan scheelt; ik trek me terug in mijn gedachten. Mijn wereld wordt steeds kleiner. Tijd verliest zijn gebruikelijke ritme, de klokken vallen stil. Slapen lukt niet meer. Uren rekken zich uit, en als er weer een maand voorbij is, kan ik me geen enkele afzonderlijke dag herinneren. Anderen, zowel intimi als buitenstaanders, zien het meteen als ik erin zit. Dan ben ik bleek en trillerig, ik zit voorovergebogen, mijn schouders en vingers zijn verkrampt.
Aangezien denken en analyseren moeilijk worden zodra de angst zijn intrede doet, heeft het jaren geduurd voordat ik de “bedreiging” überhaupt heb leren scheiden van de onmiddellijke lichamelijke reactie erop. Eigenlijk is het woord ‘reactie’ misleidend, de aanleiding en de reactie treden vrijwel gelijktijdig op. Vaak heb ik gedacht: misschien is de tegenslag, de tegenvaller die de kettingreactie in gang heeft gezet eigenlijk volkomen willekeurig. Misschien zou ik anders net zolang blijven zoeken tot ik voor mijn angstig gevoel een andere passende oorzaak gevonden heb.
Vreemd genoeg reageer ik op momenten dat ik misschien wel echt in gevaar verkeer meestal juist doortastend en onbevreesd. Zo was ik in 2015 als journalist embedded bij de Nederlandse VN-soldaten in Mali. Midden in de nacht ging het luchtalarm, rondom het kamp vielen bommen, doffe maar harde klappen. Het gevaar was kortom helder en overzichtelijk, en daarmee eenvoudig te accepteren. Toen ik mijn tent opende, renden de militairen naar de safe havens. Rustig trok ik mijn slippers aan en liep al tandenpoetsend richting veilige haven. Vergelijk het met de opluchting die een hypochonder kan ervaren als bij hem een ziekte wordt vastgesteld. Natuurlijk, er dreigt gevaar, maar hij hoeft tenminste niet meer te denken dat hij gek is. Iets soortgelijks gebeurde in het begin van de coronacrisis; tijdens die post-apocalyptische weken en maanden, waarin angst en paniek ineens een collectieve staat van zijn werden, was ik vreemd kalm. Ik deed wat ik moest doen en stond anderen bij, een merkwaardige concentratie maakte zich van mij meester, van angst had ik nagenoeg geen last. Eerder speelde het omgekeerde: de wereld leek zich te hebben aangepast aan mijn crisismodus.

Daan geeft aan dat hij angst heeft maar niet voor 100% zijn angst is. Hij ziet bij sommige anderen wel dat angst hun identiteit is geworden, ze blijven er als het ware in hangen. En ze beseffen niet dat dit een relatief nieuw etiket is, sinds de publicatie van de DSM III van 1980. Toen Daan zo’n 10 jaar geleden deze angst-diagnose kreeg was hij opgelucht; het is geen individuele afwijking maar Daan hoorde plots bij een groep. Op korte termijn veranderede dit niets aan zijn leven. Als hij een examen had dan trad de angst om te zakken op en ging hij piekeren, zoeken naar een oplossing; je er een weg uit redeneren zodat je weer vrij bent.

In zijn algemeenheid is angst een nuttige biologisch reflex die ons redt van gevaren, die ons aanzet tot vecht- of vluchtgedrag. Maar angst zonder concreet gevaar is angstigheid en dit is niet goed. Hippocrates diagnosticeerde dit als een overvloed aan zwarte gal en “genas” dit met behulp van bloedzuigers. In de 18e eeuw noemde men dit melancholie, wat veel overeenkomsten vertoont met wat wij nu onder depressie verstaan, en had dit ook een positieve bijbetekenis. Als iets dat hoorde bij genialiteit en/of creativiteit. In de 19e eeuw kregen we Freud met zijn angstneurosen. En in 1980 kregen we DSM III waarbij de angstneurose uit DSM II een zelfstandige stoornis werd.
DSM I uit 1952 was ontwikkeld na WOII voor de systematische behandeling van de grote aantallen soldaten die met PTSS terug naar huis keerden. DSM II uit 1968 was iets dikker maar de vervijfvoudiging met DSM III kwam door de deelname van de farma-industrie bij de opstelling van deze behandelrichtlijn. De klachten en symptomen die beschreven staan zijn echt, maar je hebt niet altijd iets aan de gediagnosticeerde (en vergoede) pil.

Onderzoek van Daan in zijn eigen familie gaf aan dat zijn moeder, oma en overgrootvader vrijwel exact dezelfde klachten hebben gehad, maar dat hier verschillende labels aan hingen. Voor zijn grootvader was dit melancholie, dit maakt het in de Indonesische maatschappij van toen, maatschappelijk acceptabel dat hij in de melancholische perioden op stap ging om zijn ‘troost’ bij een andere vrouw te zoeken.

Voor de filosofische kant van angst gaf Kierkegaard een mooie omschrijving: “Angst is wat je ervaart wanneer je naar beneden kijkt in een ravijn, die duizeling, die vlaag van desoriëntatie, die bijna euforisch kan aanvoelen. Dat ravijn is angstaanjagend maar ook aantrekkelijk, je wil dichterbij komen, je wil kijken, je bent als een kind dat bang is voor griezelverhalen en toch (of juist) meer wil horen.”
Daan leest nu een stuk voor:

Angst als kwaal van de verbeelding dus, een perturbatio imaginationis, in de woorden van de dertiende-eeuwse filosoof Thomas van Aquino. Thomas van Aquino past in een lange traditie van filosofen die de relatie tussen angst en verbeelding illustreren met het voorbeeld van de plank.
Uit het feit dat iemand zonder problemen over een plank loopt die in het gras ligt, maar panikeert zodra dezelfde plank over een ravijn wordt gelegd, leidde hij af dat het vooral de menselijke verbeelding is die ons angst aanjaagt. Vóór Thomas van Aquino schreef de tiende- en elfde-eeuwse Arabische filosoof Avicenna al dat iemand die over een plank loopt die boven een ravijn ligt eerder valt dan iemand die een op de grond liggende plank bewandelt, terwijl de handeling van het lopen in beide scenario’s hetzelfde is. En dan was er de geleerde Robert Burton, die met zijn magnum opus The Anatomy of Melancholy (1621) een van de eerste standaard werken op het gebied van geestelijke geneeskunde schreef. ‘In Frankrijk liep er eens een Jood in het donker over een gevaarlijke plank, die over een beek lag’, schreef Burton. ‘Dit ging probleemloos. Maar de volgende dag, toen hij zag in welk gevaar hij had verkeerd, viel hij dood neer.’ Met andere woorden, in het donker, zonder visuele input, bracht de verbeelding van deze Franse Jood geen angst voort. Maar overdag, toen hij zag dat hij zomaar had kunnen vallen, raakte hij bevangen door een angst zo hevig dat hij er dood bij neerviel. Burtons conclusie: de verbeelding is veel sterker dan de rede.
En aangezien elk mens over verbeelding beschikt, kan dus ook iedereen last krijgen van ‘irreële’ angsten. Is vliegangst (aviofobie) irreëel? Of alleen voor niet-piloten? Laten we het er in elk geval over eens zijn dat sommige kinderen uit Stephen Kings It een aanzienlijk langer leven zouden hebben gehad als ze wat meer coulrofobie aan de dag hadden gelegd, de ‘irreële’ angst voor de doodenge wezens die we clowns noemen.
Voor mij is het verschil tussen reële en irreële angsten, na ruim dertig jaar angst-ervaring, volstrekt oninteressant geworden. Ook moeilijk voorstelbare angsten zijn voor degene die eraan lijdt van zeer groot, zelfs existentieel belang. Of je iemand tegenover je hebt die gebukt gaat onder vage, algemene angstvalligheid of iemand met een fobie voor schroeven en bouten – als je hem maar genoeg vragen stelt dan zul je zien dat hij het gevoel heeft dat zijn voortbestaan op het spel staat. Angst is altijd existentieel. En hoe minder een angst lijkt voort te komen uit de reële werkelijkheid, hoe ‘vreemder’ en moeilijker voorstelbaar de angst is, hoe meer deze zegt over de angstige, over wie hij is, wat zijn levensloop is geweest, wat hij wil, en wat hij eigenlijk bang is te verliezen of niet te krijgen. Bovendien is elke angst vanuit neurologisch en fysiek perspectief even echt, hoe onschuldig of ‘irreëel’ de oorspronkelijke aanleiding ook is geweest.
En toch hangt ons oordeel over angstige anderen grotendeels af van onze mening over de ‘legitimiteit’ van hun angsten (waarmee dan vaak de onschuldige aanleiding voor die angsten wordt bedoeld). Vaak genoeg dragen de termen ‘reëel’ en ‘irreëel’ in het dagelijks woordgebruik de subtiele bijbetekenis ‘terecht’ en ‘onterecht’ in zich. Als we angsten irreëel of ongeloofwaardig vinden, negeren we de angstigen, mompelen we dat ze de schouders eronder moeten zetten, wenden we ons van hen af of noemen we hen aanstellers. Honderdduizenden jaren aan ervaringen met angst, en de manier waarop we erover spreken is nog altijd onbeholpen en moralistisch.
Er is niemand die de praktische zinloosheid van het denken in termen van ‘terechte’ of ‘onterechte’ angsten beter illustreert dan Michael Bernard Loggins, op wie ik later terug zal komen. Loggins geboren in 1961 in San Francisco, leeft met een verstandelijke beperking, waardoor hij moeite heeft de ernst van bedreigingen juist in te schatten. Toen Loggins in 1994 werd gevraagd zijn angsten eens op te schrijven, noteerde hij er honderddrieëntachtig, variërend van medische angsten, paranoïde angsten en abstracte angsten tot tamelijk specifieke angsten, zoals dat je lievelingsnoodles worden opgegeten door een man die Douglas heet. Michael Bernard Loggins toont aan wat ik op een instinctief niveau altijd heb vermoed: doodsvrees hoef je niet serieuzer te nemen dan de angst dat Douglas dat je lievelingsnoodles opeet, en de angst voor Douglas die je lievelingsnoodles dreigt op te eten kan verstikkender zijn dan de absolute onontkoombaarheid van de dood.

Daan vertelt dat hij Michael Bernard Loggins vier maal heeft bezocht en dat in ruil voor een cadeautje, een 45 toeren singeltje of een cheeseburger, hij vertelde over zijn angsten. Bijzondere gesprekken: Michael woont in een kamer van vijf bij zes meter vol met stapels kleren en bakken vol platen. Michael mist een aantal tanden, smakt terwijl hij praat en is erg associatief. Daarnaast gebruikt hij graag woorden die hij heeft verzonnen. Dus het duurde even voordat Daan hem kon verstaan.
Tot slot leest Daan nog iets voor:

Elke keer dat iemand het woord stoornis gebruikt, zou je kunnen afvragen: wat bedoelt of zij precies met dat woord? Is een beter alternatief voor stoornis niet ‘een verstoord evenwicht”? Is een beter alternatief voor ‘symptoom’ niet ‘patroon’ ? Is een beter alternatief voor ‘genezen’ niet ‘aanpassen’? Is een beter alternatief voor ‘ziekte’ niet ‘eigenschap’? Is een beter alternatief voor ‘diagnose’ niet ‘cluster van gedragingen’? (Nogmaals: dit wil absoluut niet zeggen dat de klachten waarmee iemand worstelt niet ernstig zouden zijn.) Dit is geen woordenspel – door een andere taal te gebruiken verandert ons idee waar een ander last van heeft, en uiteindelijk van de ander zelf.
Een pleidooi voor kwetsbaarheid dus? In zekere zin, maar we moeten ook niet gaan overcompenseren, we moeten die kwetsbaarheid ook weer niet verheerlijken. Laat me dit toelichten.
Het idee dat het taboe op angststoornissen (en andere vormen van geestesproblemen) opgeheven moet worden, is gemeengoed. Maar aan de ogenschijnlijke positieve manier waarop we dat doorgaans proberen te doen, kleven zwaarwegende nadelen. De strijd tegen het taboe op geestesziekte geschiedt vrijwel altijd op de zelfde manier: een bekend individu praat over de problemen die hij of zij heeft overwonnen. Dit is een vicieuze cirkel: media gaan op zoek naar de ‘rafelrandjes’ van degene aan wie ze aandacht besteden, en deze persoon heeft het idee aan dat ‘ideaal’ te moeten voldoen, want hoe komt hij anders interessant over? Ook ik maakte een tijdje deel uit van deze cultuur. In interviews vertelde ik weleens, onder het mom van transparantie, over mijn angsten. Hopend dat ik me bevrijd zou voelen als ik me niet sterker voordeed dan ik was, sprak ik over ‘stofjes in mijn hersenen’ die mijn angsten veroorzaakten; een woordkeuze die mij enerzijds verhief boven de anderen zonder die uitzonderlijke ‘stofjes’, en me anderzijds vrijpleitte van verder zelfonderzoek. En het onsmakelijke van dit alles was niet zozeer dat ik het had over persoonlijke problemen, daarover praten of schrijven vind ik legitiem en wezenlijk. Nee, het was het misplaatste idee dat dit mij bijzonder of zelfs uniek zou maken. De getuigenissen van psychisch geplaagde bekende mensen zijn waardevol, omdat ze de tolerantie van het grote publiek vergroten, maar ze zijn ook misleidend. Ze bevatten altijd een impliciete silver lining – de lezer of kijker weet dat het psychische probleem het leven van de betrokkene geen onherstelbare schade heeft toegebracht. De betrokkene is immers bekend geworden, rijk, benijdenswaardig. Zij die het niet redden worden zelden tot nooit geïnterviewd. Bovendien zijn die getuigenissen altijd gekuist: zolang de problemen enigszins geromantiseerd kunnen worden, of bijdragen aan het diepzinnige imago van de verteller, worden ze geuit, en anders niet. Hierin kunnen we de erfenis zien van hoe de Romantici tegen melancholie aankeken.

Over psychisch geplaagde bekende mensen vertelt Daan dat deze tendens heeft bijgedragen aan de opkomst van een academische subcategorie die celebrity studies heet. Na de in openbaarheid beleefde donkere periode (celebrity meltdown – train wreck ineenstorting) volgt dan een weg terug naar de door succes geobsedeerde populaire cultuur. Een mooi voorbeeld is Demi Lovato die met het uitbrengen van haar boek Staying Strong publiekelijk haar worsteling (eetstoornis, bipolaire stoornis en angst) deelt, wie doet dit niet, dit kan ik nog begrijpen. Maar een jaar later lanceert Lovato een cosmeticalijn met het motto ‘skin care is self-care’, een kapitalistische exploitatie van haar geestesziekte.
Tot slot leest Daan het gedicht ‘Mijn zoon’ van Anna Enquist voor. Dit deed de moeder van Daan aan hem denken.

Mijn zoon stormt door het huis / een roffel op de trap. Hij is / zichzelf met een motor. Het lied / dat in hem leeft ontsnapt hem / soms. Ik hoor hem zingen / op de gang en zwijg. (-) ’s Nachts is hij bang, hij twijfelt / aan zichzelf, aan ons, de wereld. / Ik neem hem in mijn arm / en zonder te spreken vaag ik / de oorlog weg en kinderkanker, / mijn eigen dood, het monster van de tijd. (-) Ik lieg hem voor en red hem / tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Na afronding van het boek trok Daan de conclusie dat angst een eigenschap is die we allemaal in meer of mindere mate bezitten, dat deze angst te isoleren is, en dat angst een onlosmakelijk deel van hem is.


Na de pauze startte de dialoog

De 1e spreker vroeg of angst de grootste bondgenoot van Daan was in tijden van chaos, bijvoorbeeld in Mali of tijdens Corona?
Daan zegt dat die momenten van concrete gevaren voor hem overzichtelijk waren waardoor hij rustig bleef. Maar normaliter zijn er geen concrete gevaren en produceert zijn angst het gevaar, maakt hem chaotisch. En als hij chaotisch is dan is hij bijvoorbeeld niet in staat om zijn dag te plannen.

Creëert deze tijd met veel chaos en hectiek, Poetin en zo, ook meer angst?
Daan geeft aan dat er nu veel reële dreigingen zijn: nucleaire, voedseltekorten, klimaatcrisis. Deze dreigingen raken aan onze primaire angst voor de dood. Voortdurend zijn er signalen die deze primaire angst prikkelen. Maar je kunt hier zo weinig mee, je bent machteloos. Het enige wat je kunt doen is je angst erkennen en daarna afstand scheppen tot je angst, zodat je niet samenvalt met je angst. Voor Daan zelf gaan deze dreigingen wel ten laste van de reserves die hij heeft om andere angsten op te vangen.

Waar voel je de angst?
Het is alsof je lichaam in een overlevingsmodus wordt gezet; je ademhaling gaat omhoog, je krijgt pijn op de borst, in de vingertoppen, je voorhoofd en in je buik. Wetenschappelijk gezien komt dit omdat je hersenen adrenaline en cortisol aanmaken, hierdoor ga je in de Fight – Flight – Freeze modus. Het tweede is het ervaren van angst als bewustzijnscomplex.

Is angst niet een cultureel fenomeen dat samenhangt met onze westerse geïndividualiseerde samenleving?
De toename van angst in de laatste 50 jaar wordt zeker voor een deel veroorzaakt door de individualisering. Toename van individualisering is afname van gemeenschap en hiermee een afname van het vermogen om tegenslagen op te vangen. Vergelijking met andere culturen is lastig omdat niet dezelfde definities worden gebruikt.

Ik ervaar angst als een ruimte tussen fysieke angst en mentale angst. Waarom doet mijn lichaam dit?
Daan zegt dat het goed is om het fysieke proces te scheiden van het mentale proces. Meestal heb je ’s ochtend meer angst omdat je lichaam geprogrammeerd is om meer cortisol aan te maken om je voor te bereiden op de dag. Voor deze fysieke angst verzinnen je hersenen een reden. Het beste is om dit te zien als eb en vloed; het weten dat de angst zijn kracht gaat verliezen. En als het toch te veel wordt dan kan je een trucje toepassen zoals een ademhalingsoefening of het maken van een wandeling. Dit trucje is geen oplossing maar een manier om om te gaan met je angst.

Zelf noem ik het woord angst niet, ik spreek van een stemming.
Ja dat kan, ik zelf gebruik “Dan zit ik er helemaal in”. Het beheerst alles en het kan naadloos overlopen in depressie, die vaak samen oploopt met angst. Nu ik er meer van begrijp zit ik niet meer maanden in depressie zoals lang geleden, of weken zoals recenter, maar nu vaak enkele dagen.

Waarom heb je in jouw inleiding maar één keer doodsangst genoemd?
Ja doodsangst is zoals Lucretius het zegt onze oerangst die ten grondslag ligt aan alle andere angsten zoals hoogtevrees. Het komt ook omdat ons bewustzijn weet van onze eindigheid, weet dat we gaan sterven.

Maken de media ons angstiger?
Met name social media die jouw leven spiegelen aan de mooie levens van anderen hebben veel invloed, zijn zeker een belangrijke factor maar niet de oorzaak.

Als ik de wekker zet dan word ik niet angstig wakker, maar als ik uitslaap dan word ik naar wakker als uit een angstige droom. Hoe kan dit?
Daan denkt niet aan het cortisol-effect. Hij oppert dat het misschien angst is voor het verspelen van tijd of voor het beleven van een chaotische dag. En zou zelf dan altijd de wekker zetten (gelach vanuit de zaal).

Ik wil delen dat ik gelukkig mijn angstverhaal altijd kwijt kan.
Ja dat is mooi, dat heeft een positief effect en kan het verschil maken. Koester deze mensen bij wie je dit verhaal kwijt kan. Want als je alleen bent kan je verbeelding met je op de loop gaan, dan krijg je de neiging om onder de dekens te gaan liggen tot het over is.

Tijdens WOII was er veel dreiging en hoorde je weinig over de angstproblematiek en nu zijn er weinig concrete dreigingen en hoor je veel over de angstproblematiek. Hoe kan dat?
De mens is goed met concrete dreigingen, die krijgen alle aandacht, de angst wordt dan opgeschort. In de jaren na WOII kwam de angst er weer uit, vaak in de vorm van PTSS. Tijdens de corona-periode kon je zien dat de mens slecht is in vage dreigingen.

Dank voor uw persoonlijke verhaal en ik vroeg mij af hoe uw moeder over haar angsten is heen gekomen?
Door het krijgen van een kind, van mij, Daan. Toen was er iets belangrijkers. Dat heeft waarschijnlijk meer geholpen dan 200 sessies psychoanalyse op de wijze van Freud.

Wat is uw houding ten opzicht van medicijnen?
Ik ben daar dubbel in. Mensen met een angststoornis krijgen antidepressiva voorgeschreven. Deze zijn trouwens alleen getest op dieren. Deze onderdrukken de symptomen maar pakken niet de bron aan. Ja het kan het verschil maken, maar 1 miljoen gebruikers is wel erg veel, ook al omdat het komt met een hoge prijs.

Paul bedankte na deze laatste vraag Daan Heerma van Voss en vertelde nog dat hij hoorde dat een psycholoog het boek van Daan als medicijn had aanbevolen. Onder een groot applaus kreeg Daan dank voor zijn persoonlijke verhaal, voor zijn inleiding en voor het beantwoorden van de vragen die tot een enerverende avond hebben geleid.

Gerrit van Elburg