Bert Keizer – Over leven en werk van Ludwig Wittgenstein

Impressie van de bijeenkomst van het Filosofisch Café Haarlem op 26 oktober 2022

Op deze avond hield Bert Keizer voor 100 aanwezigen een inleiding over zijn boek Over leven en werk van Ludwig Wittgenstein.

Bert Keizer (1947) is een Nederlandse arts, filosoof en schrijver. Zijn doorbraak als schrijver kwam in 1994 met Het refrein is Hein, een zeer openhartige schets van gebeurtenissen in een verpleegtehuis, inclusief stukken over euthanasie en hulp bij zelfdoding, die nogal wat stof deden opwaaien maar die door artsen over het algemeen als zeer reëel werden beoordeeld.

Bert begon zijn inleiding met te zeggen dat hij een liefhebber is van Wittgenstein en geen deskundige, dit bespaart hem een hoop kritiek uit de professionele hoek. Wittgenstein leefde van 1889 – 1951, in het fin de siècle van Wenen. Er was toen nog een Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie onder leiding van keizer Frans Jozef I, met Mozartkugeln, Lippizaner hengsten, een verkalkte ambtenarij en een bevroren staatsapparaat. De sfeer was katholiek, antisemitisch, antisocialistisch en militaristisch.

Bekende andere Weners uit die tijd waren: Karl Kraus, Oskar Kokoschka, Sigmund Freud, Arthur Schnitzler, Gustav Klimt, Stefan Zweig, Adolf Loos, Egon Schiele, Otto Wagner, Robert Musil, Gustav Mahler en Arnold Schönberg.
Karl Kraus (1874-1936) was een taalcriticus en een satiricus die het tijdschrift Die Fackel uitgaf dat hij zelf vol schreef met kritiek op van alles. Hij zat vol met ongenoegen over van alles. Bekende citaten van hem zijn:

  • Hoe langer je naar een woord kijkt, hoe vreemder het terugkijkt
  • Men leeft zo ver van de taal en gelooft dat men kan spreken omdat men kan spreken
  • De Oostenrijkers zijn de enige mensen die door ervaring dommer worden

Sigmund Freud (1856-1939), de bekende psychiater en psychoanalist, had een aanpak waarbij hij de façade van zijn patiënten wilde afbreken. Freud wilde de neurotische ellende van zijn patiënten transformeren in algemeen ongeluk. Bij Freud kon je binnengaan met de angst om de straat op te gaan en vertrekken met de overtuiging dat je eigenlijk je moeder wil vermoorden. Wittgenstein was een fan van de vorm van het werk van Freud.

De Wittgensteins waren geassimileerde joden. Vader Karl was in 1850 naar de VS geëmigreerd, kwam in 1870 terug, startte als tekenaar bij een rails-fabrikant en was na 10 jaar de staalmagnaat van Oostenrijk en miljardair. Dat vertaalde zich in grote huizen, bijna paleizen, en voor deze muzikale familie een vleugel op iedere verdieping. Karl legde de lat ook hoog voor zijn kinderen. De zelfdoding van 3 van de oudere broers van Ludwig wordt daaraan toegeschreven. Leuke details zijn bijvoorbeeld dat dochter Margaret bij Klimt een schilderij bestelde en dan zelf veranderingen aanbracht om het ‘mooier‘ te maken of zoon Paul, de éénarmige pianist, die een compositie bij Ravel bestelde en daar ook ‘verbeteringen’ in aanbracht: ‘Ik heb het toch gekocht’.

Ludwig kreeg tot zijn 14e thuisonderwijs en ging daarna naar een middelbare school in Linz waar hij tot zijn 17e blijft. Eén jaar was hij gelijktijdig met Adolf Hitler op deze school. Hierna studeerde hij tot zijn 19e werktuigbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Berlijn. Vervolgens ging Ludwig in Manchester onderzoek doen naar de aerodynamica. Vliegen en de werking van de propeller waren in die tijd populaire onderwerpen. Hierbij las hij Bertrand Russells Principles of Mathematics en raakte hij gefascineerd door het probleem van een logische onderbouwing van wiskundige kennis en de aard van logica zelf. In oktober 1911 op 21-jarige leeftijd presenteerde hij zichzelf in Cambridge waar Russell filosofie doceerde. Russell, die pas 40 jaar oud zijn meesterwerk al geschreven had, werd getroffen door Wittgensteins opmerkelijke geest en hij stimuleerde hem zich verder te ontwikkelen in de filosofie. Wittgenstein ging zich bezig houden met logica en taal, op zoek naar het skelet van de taal.

Via Russell raakte Wittgenstein in 1912 bevriend met wiskundestudent David Pinsent, zijn eerste homoseksuele liefde. Dit contact en de intellectuele stimulans van Russell verdreef de zwaarmoedige periode die Wittgenstein de afgelopen negen jaar had beleefd. Dit sterkte hem voldoende om in behoorlijke afzondering in 1913 – 1914 in Noorwegen te gaan werken aan de logica. In de zomer van 1914, tijdens zijn vakantie in Wenen, brak WOI uit. Wittgenstein meldde zich onmiddellijk als vrijwilliger in het leger en werd de eerste 2 jaar gelegerd in een reparatiewerkplaats achter het front. Het werk aan de logica mondde in 1918 uit in de Tractatus. Deze gebeurtenis werd volledig overstemd door het omkomen van David Pinsent bij een vliegtuigongeluk en zijn eigen krijgsgevangenschap in Noord-Italië.

Tractatus
De Tractatus is een overzicht van de gedachten van Wittgenstein over logica en ethiek. Voor Wittgenstein is het doel van filosofie, de logische verheldering van gedachten. Filosofie is geen leer, maar een bezigheid. Een filosofisch werk bestaat in wezen uit verhelderingen. Het resultaat van filosofie bestaat niet uit “filosofische beweringen” maar uit het duidelijk worden van beweringen. Filosofie dient gedachten die eigenlijk nogal troebel en vaag zijn, helder te maken en scherp af te bakenen. (Methode Freud: van schijnbaar ongeluk naar reële ellende.)
In een brief aan Russell schrijft Wittgenstein over de Tractatus: ‘Je zal het niet begrijpen zonder een uitleg vooraf. Dit betekent natuurlijk dat niemand het zal begrijpen; hoewel ik geloof dat het allemaal kristalhelder is.’ Enige voorbeelden uit de Tractatus:

  • Een bewering is een beeld van de werkelijkheid. Een bewering is een model van de werkelijkheid zoals wij die ons denken.
  • Een bewering toont hoe de toestand is als hij waar is. En hij zegt, dat de toestand zo is.
  • De algemene vorm van een bewering is: zo en zo zit het.

Met zijn: ‘Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen’ geeft Wittgenstein aan de Tractatus ook iets mystieks. Hij is ervan overtuigd dat je met tekst maar de helft van de werkelijkheid kan beschrijven. Dit komt ook tot uiting in een brief aan Ludwig Hänsel: ‘vandaag heb ik je helemaal niets te melden dat de moeite waard is, want alles wat enigszins interessant is, laat zich niet feitelijk opschrijven, en al het feitelijke is niet interessant.’

Uit zijn dagboeken blijkt dat Wittgenstein zeer gelovig was. Ook was hij overtuigd van contingentie, dat alles evengoed anders had kunnen zijn. Dit betekende dat Wittgenstein ook nooit iets over God heeft geschreven, want voor hem zou dat betekenen dat God ook niet het geval had kunnen zijn. Aan zijn vrienden adviseerde hij: ‘Geloof nou maar, het kan geen kwaad.’

Na de oorlog keerde Wittgenstein in augustus 1919 terug naar Wenen. Hij vond dat hij klaar was met de filosofie, had zijn geld al weggegeven aan zijn familie en bedacht dat hij net als Tolstoj onderwijzer wilde worden op een basisschool. Wellicht een goed idee, maar geconfronteerd met middelmatige leerlingen bleek hij ongeduldig en didactisch weinig begaafd. Hierdoor werd hij tijdens deze periode eenzaam en doodongelukkig. Een lichtpuntje was het bezoek van Frank Ramsey, een geniale wiskundige uit Cambridge, een van de eersten die de Tractatus op waarde wist te schatten, en twee weken bij Wittgenstein in Puchberg verbleef. Na dit bezoek wilden de filosofen uit Cambridge Wittgenstein bevrijden van het Oostenrijkse platteland. Nadat Wittgenstein in 1926 een leerling bewusteloos had geslagen vluchtte hij en ging werken als tuinman voor de monniken in Hüttelhof.

In de zomer keerde hij terug naar Wenen waar zijn vriend Paul Engelmann bezig was een huis te ontwerpen voor zijn zuster Margaret, die ze Gretl noemden. Wittgenstein ging zich hier zo intens mee bemoeien dat hij uiteindelijk eindigde als Engelmanns partner en geleidelijk het hele ontwerp aan de Kundmanngasse naar zich toe trok. Het werd uiteindelijk een afschuwelijk sober ontwerp, met geen enkele ruimte voor gezelligheid. In 1928 hoorde Wittgenstein op de gesprekskring Wiener Kreis een voordracht van de Nederlandse wiskundige en filosoof Brouwer over intuïtionistische wiskunde. Deze voordracht deed het oude filosofische vuur in Wittgenstein weer oplaaien.

Op 18 januari 1929 kwam Wittgenstein aan in Cambridge en hierover schreef Keynes, een van de weinigen die niet door Wittgenstein uit zijn evenwicht werd gebracht, aan zijn vrouw: God has arrived, I met him on the 5.15 train. Wittgenstein ging werken als een advanced student die aan een klein groepje uitzonderlijk begaafde studenten lesgaf. De ‘les’ bestond eruit dat Wittgenstein hardop denkend voor de klas helderheid probeerde te bereiken over wat hem op dat moment filosofisch dwarszat. Vragen stellen was uit den boze.

In 1931 begon zijn vriendschap met Francis Skinner, een 21-jarige briljante student wiskunde. Francis was aantrekkelijk, intelligent, volgzaam, teder, en bijna ziekelijk toegewijd aan Wittgenstein. Op aanraden van Wittgenstein ging Francis handarbeid verrichten, hij ging werken als leerling monteur bij de Cambridge Instrument Company en voelde zich ongelukkig tussen alle schroefjes en boutjes. In 1941 overleed Francis Skinner onverwacht aan polio. Dit stortte Wittgenstein in treurnis en zelfverwijt:

“Vaak heb ik het gevoel dat iets in mij is als een klomp die, als hij smolt, mij aan het huilen zou maken, of ik zou dan de juiste woorden (of misschien zelfs een melodie) vinden. Maar dit iets (is het mijn hart?) voelt bij mij aan als leer, & kan niet smelten. Of is het dat ik alleen maar te laf ben om de temperatuur voldoende te laten stijgen?”

Filosofische onderzoekingen
Filosofisch gezien zag Wittgenstein dat de Tractatus te beperkt was en hij ontwikkelde nieuwe ideeën. Deze 600 ideeën die hij in de loop van 1930 – 1945 heeft ontwikkeld zijn opgenomen in het boek Filosofische onderzoekingen. In dit boek, dat in tegenstelling tot de strikte en hermeneutisch gesloten structuur van de Tractatus, een losse open structuur heeft, doorkruist hij het eindeloze landschap van ons taalgebruik. Taal is niet alleen maar beschrijven maar heeft vele functies zoals: vragen, bevelen, bidden et cetera.

In de Filosofische onderzoekingen neemt Wittgenstein afstand tot zijn eerdere platonische benadering, het zoeken naar de overeenkomst, de eeuwige, definitieve, onveranderlijke waarheid en gaat hij zich bezighouden met de verschillen in het gebruik van woorden van taal. En nooit De betekenis. Hij noemt dit ‘taalspelen’. Van: klopt dat wat u daar zegt? Naar: wanneer zeggen mensen zoiets? Woorden zijn gereedschap, soms dezelfde vorm met een andere inhoud. Altijd afhankelijk van de situatie.

Je kunt IN januari diep IN de nacht IN een enorme pestbui IN een storm IN je eerste huwelijk IN Groningen zitten IN je Fiat 500 terwijl je IN de horeca werkt. Dat is 8 keer ‘in’ in één zin. En elk ‘in’ is weer anders. De ziel zit IN het lichaam. Medaille IN de benen.

Wittgenstein zoekt naar de verschillen van begrippen en komt tot familiegelijkenissen. Elk begrip heeft een rafelige rand, bijvoorbeeld:

  • Spel: voetbal – tennis – schaak – patience – klaverjassen – hockey – monopolie – risk – pimpampet – boter/kaas/eieren – darts
  • Spelen: plezier met een bal, winnaar, om geld, om eer, om een medaille, altijd binnen, altijd buiten, indiaantje
  • Zien: Foto van vader en zoon. Zie je dat ze op elkaar lijken? Zie je dat ie oud is? Zie je dat ze niet naar de camera kijken?

Over Zekerheid
Aan het einde van zijn leven werd Wittgenstein ‘weer bezocht’ door de filosofie en schreef hij Over Zekerheid. Een groot deel van deze 600 paragrafen schreef hij in de laatste maanden van zijn leven. Hij had prostaatkanker en wilde hiervoor geen behandeling, hij had er vrede mee.

In Over Zekerheid gaf hij aan dat zekerheid en twijfel samen opgaan. Heel veel soorten weten zijn alleen geldig als je je ook kan vergissen. Je kan ook nog een onderscheid maken in vermoeden, ontdekken, verwerpen, of betwijfelen. Hoe weet je dat de aarde om de zon draait en niet andersom? Dit is een geërfd wereldbeeld, van vroegere onderzoekers en discussies, je bent niet zelf op onderzoek uitgegaan. Dit neemt Wittgenstein nu voor lief. Leren is geloven in leerboeken. De Mont Blanc is 4.800 meter hoog, dat weet ik, dat staat in een boek. Je kunt er niet zomaar op los twijfelen, je moet wel een grond of reden hebben.
Met de conclusie dat Wittgenstein hiermee is geklommen vanuit de definitieve, platonische hemel naar onze toevallige, rommelige aarde, sloot Bert Keizer onder luid applaus zijn inleiding af.


Na de pauze startte de dialoog

Bert Keizer vertelde dat hij tijdens de pauze al de 1e vraag had gekregen: Heeft u als arts iets aan Wittgenstein?
Nee. Een patiënt met kanker is niet in de stemming voor een slim gesprek over: ‘Weet u wel wat we aan het doen zijn?

Kan u iets meer vertellen over de familieverwantschappen die Wittgenstein hanteerde?
Ja dit is een belangrijk begrip bij Wittgenstein, het gaat om de essentie van bijvoorbeeld Duits zijn of een familie zijn. Misschien is het voorbeeld van de gotiek beter; dit bestaat uit een aantal elementen, en we noemen een gebouw gotisch als het verschillende van deze elementen heeft. Deze definitie gaat in tegen onze voorkeuren voor scherpe definities.

Zijn familieverwantschappen dan ook als een soort ‘Wie van de drie’? Als je het niet weet dan zie je het niet en als je het wel weet dan zie je het wel.
Ja dat zien is een raar werkwoord met de bekende voorbeelden van één figuur waarin zowel het beeld zit van een konijn en een eend (of oude vrouw, jonge vrouw) maar je ziet er altijd één als eerste. Er verandert niets en dan kan je toch het andere beeld zien, maar nooit beide tegelijk. Of het zien van een orthopeed, die in het Concertgebouw zit en de diagnoses van heupen en knieën ziet binnenkomen. Én je kan ‘Zie je nu eindelijk wat ik bedoel?’ ook tegen een blinde persoon zeggen. Of de Indische mevrouw die tegen Bert zei: Ik zie de ziel van mijn man al 10 jaar lang elke nacht binnenkomen; dat snap jij niet, bij ons gaat dat anders.

Wittgenstein was talig ingesteld, was hij er van overtuigd dat de wereld wordt begrensd door woorden en taal?
Ja Wittgenstein was behoorlijk overtuigd dat de grenzen van de taal ook de grenzen van de wereld zijn. Hij was trouwens ook een redelijke klarinetspeler en in de muziek heb je ook een soort taal van vraag en antwoord.

Hou zou Wittgenstein over complotdenkers denken?
Bert vertelt dat hij laatst een ontmoeting heeft gehad met een psycholoog die aanhanger was van The Flat Earth Society. Bert probeerde door te vragen over het bewijs dat hij daarvoor had maar concludeerde al snel dat je daar nooit uit komt in die zin dat de ander door het ijs zakt. Er is geen gemeenschappelijke basis te bereiken om over bewijs te spreken, complotdenkers hanteren een andere interpretatie van bewijs.

Wat is het nut van de Tractatus?
De Tractatus heeft geen enkel nut. De Tractatus is trouwens heel mooi geschreven, bijna poëzie. Voor Wittgenstein was het een stadium in zijn ontwikkeling. Voor zijn latere werk fungeerde het als een goed gevulde gereedschapskist. In zijn werk was Wittgenstein een ongeduldige man die niet didactisch begaafd was. Hij gaf bijvoorbeeld aan Cambridge alleen les aan toptalenten, een groepje van 12, die geen vragen mochten stellen, er was geen tweegesprek. De toptalenten mochten aanwezig zijn bij een hardop filosoferende Wittgenstein die op eenieder een onuitwisbare indruk maakte.

Had Wittgenstein iets met kunst, met Rembrandt of Mahler?
Kunst was voor Wittgenstein niet een onderwerp in tegenstelling tot wetenschap. Wittgenstein was niet geïnteresseerd in bewijs en had een hekel aan de 20e -eeuwse aanbidding van de wetenschap.

Hanno bedankte na deze laatste vraag Bert Keizer, die tot slot nog een groot applaus kreeg vanuit de zaal.

Gerrit van Elburg